DAS ARMIERUNGSBUCH
für den Ingenieur-Offizier des Nordabschnittes.
Allgemeines.
Der
Ingenieur-Offizier des Nordabschnittes hat sich bei Ausspruch der
Armierung der Festung umgehend beim Stabsingenieur des Ing.- und
Pionierkorps zur Abholung des Armierungsbuches und Entgegennahme von
Befehlen zu melden. Hierauf tritt er mit seinem Bauführer- und
Büropersonal zum Kommandeur des Nordabschnitts über, welchem er
unterstellt wird.
Seine
Aufgabe besteht in der Organisation des sofort einzusetzenden
beschleunigten Baubetriebes, Anforderung und Verteilung der Baustoffe,
Geräte und Werkzeuge an die Arbeiterbataillone und in der Ueberwachung
der sach- und planmässigen Ausführung der nachstehend näher
bezeichneten, für die Armierung vorgesehenen Bauarbeiten.
Algemeen.De
ingenieursofficier van het Nordabschnitt moet zich, zodra de Armierung
(de onmiddellijke versterking van de vesting) wordt afgekondigd,
onverwijld melden bij de stafingenieur van het ingenieurs- en
pionierskorps om het armierungsboek af te halen en om bevelen in
ontvangst te nemen. Daarna begeeft hij zich, samen met zijn bouwleider
en kantoorpersoneel, naar de commandant van het Noordelijk Vak, aan wie
hij wordt ondergeschikt.
Zijn
taak bestaat uit het organiseren van de onmiddellijk op te starten,
versnelde bouwactiviteiten, het aanvragen en verdelen van
bouwmaterialen, gereedschap en werktuigen aan de arbeidersbataljons, en
het toezicht houden op de correcte en planmatige uitvoering van de
hieronder nader omschreven bouwwerken die voor de Armierung zijn
voorzien.
° °
I. Einteilung und Besatzung des Abschnitts.
Der
Nordabschnitt reicht vom Turnhout-Kanal im Osten bis zur Schelde im
Westen. Er ist in 2 Unterabschnitte N I und N II geteilt. Ersterer
erstreckt sich vom Turnhoutkanal bis zur Bahnlinie Antwerpen–Esschen,
letzterer von da bis zur Schelde. Der Unterabschnitt N I ist in 2
Regts.-Abschnitte, der Unterabschnitt N II in 2 Regts.-Abschnitte und
dem Scheldeabschnitt eingeteilt. Die Grenzen der Abschnitte sind aus dem
Plan ersichtlich. In jedem Regts.-Abschnitt sind 2 Batl. in den
Stellungen unterzubringen, während die Unterbringung des 3. Batls. in
nahe rückwärts gelegene Ortschaften gedacht ist. (Letzterer wohl
gemeinsam mit Scheldeabschnitt.)
I. Indeling en bezetting van de Sectoren.Het
Nordabschnitt loopt van het Kanaal van Turnhout in het oosten tot aan
de Schelde in het westen. Het is verdeeld in twee Unterabschnitte, N I
en N II. Het eerste strekt zich uit van het kanaal van Turnhout tot aan
de spoorlijn Antwerpen–Essen; het tweede loopt van daar tot aan de
Schelde. Unterabschnitt N I is verdeeld in twee Regimentsabschnitte;
Unterabschnitt N II is verdeeld in twee Regimentsabschnitte plus het
Scheldeabschnitt. De grenzen van deze sectoren zijn op het plan
aangegeven. In elk Regimentsabschnitt moeten twee bataljons in de
stellingen worden ondergebracht, terwijl het derde bataljon is bedoeld
voor accommodatie in nabijgelegen dorpen achter de linie. (hetzelfde
voor het Scheldeabschnitt.)
II. Befehlsstellen.
a.) Für
die Abschnittskommandeur N I und N II und die zugehörigen
Artillerie-Kommandeur ist im Fort Merksem bezw. in der Ortschaft Ekeren
die Einrichtung der notwendigen Räume vorgesehen. Die
Fernsprechleitungen sind gelegt, es brauchen nur die Anschlüsse
hergestellt zu werden. Die Einrichtung der Räume zu evtl. Verstärkung
soll durch die Mannschaft der Stäbe geschehen.
b.) Für
die Brigadekommandeure N I und N II und die zugehörigen
Artillerie-Regimentskommandeure ist die Unterbringung in Gebäuden der
Ortschaften Mariaburg bezw. Hoevenen vorgesehen. Auch hier sind seitens
der Festungs-Fernsprech-Abteilung nur noch die Anschlüsse an die
bestehenden Fernsprechnetze herzustellen.
c.) Für die 4
Regiments-Kommandeure und die zugehörigen Artilleriegruppen-Kommandeure
sind die Räume bereits schussicher in Beton hergestellt. Ihre Lage ist
aus dem Plan ersichtlich.
d.) Die Befehlsstände der
Kampftruppen (Bataillons-) Kommandeure sind schussicher in Eisenbeton
erstellt und an die Fernsprechleitung angeschlossen.
e.) Die
Befehlsstände der Artillerie-Untergruppenkommandeure sind ebenfalls
bereits in Eisenbeton vorhanden und an das Fernsprechnetz angeschlossen.
II. Commandoposten.a.) Voor de Abschnittscommandanten N I en N II en de daarbij behorende artilleriecommandanten zijn in Fort Merksem respectievelijk in de gemeente Ekeren de nodige ruimten voorzien. De
telefoonlijnen zijn gelegd; enkel de aansluitingen moeten nog worden
uitgevoerd. De inrichting van de ruimten voor eventuele versterking moet
door het personeel van de staven gebeuren.
b.) Voor
de brigadecommandanten N I en N II en de bijhorende
artillerieregimentscommandanten is onderbrenging voorzien in gebouwen
in de dorpen Mariaburg en Hoevenen. Ook hier hoeft de
vesting-telefoonafdeling enkel nog de aansluitingen op de bestaande
telefoonnetten tot stand te brengen.
c.) Voor
de vier regimentscommandanten en de bijhorende
artilleriegroepcommandanten zijn de ruimten reeds bomvrij in beton
uitgevoerd. (exempli gratia de JK en de AK-bunkers)
d.) De
commandoposten van de gevechtstroepen (bataljonscommandanten) zijn
schotvrij in gewapend beton aangelegd en op de telefoonleiding
aangesloten. (e.g. de GB.A en GB.B-bunkers)
e.) De
commandoposten van de artillerie-ondergroepcommandanten zijn eveneens
reeds in gewapend beton aanwezig en op het telefoonnet aangesloten.
° °
III. Vorhandene Verteidigungsanlagen.
Eine
durchgehende 1. Linie mit doppeltem bis dreifachem Drahthindernis und
schusssicheren Eisenbetonbauten, welche im Allgemeinen die Hälfte der
Besatzung aufnehmen können, ist vorhanden. Von der 2. Linie sind
einzelne Stücke der Schützenstellung sowie ein durchgehendes
Drahthindernis von 6 m Breite vorhanden, das sich vom Turnhout-Kanal bis
zum linken Flügel bei Fort Stabroeck erstreckt. Zwischen 1. und 2.
Linie bestehen einige Verbindungswege.
In
der 2. Linie befinden sich außerdem in den teilweise ausgebauten
Strecken der Schützenstellung schusssichere Unterschlupfe und
Maschinengewehrunterstellräume, welche erstere durchschnittlich 1/6 der
Besatzung aufzunehmen vermögen.
Hinter
der 2. Linie ist ein System von Maschinengewehrnestern angelegt und
zwar zwischen der Strasse Brasschaet–Dryhoeck und dem
Ueberflutungsgebiet am linken Flügel.
Die
Ueberflutungsmöglichkeit am linken Flügel (Scheldeabschnitt) erklärt
den schwächeren Ausbau der Stellung zwischen Fort Stabroeck und der
Schelde, das beinahe völlige Fehlen einer 2. Linie und von
schusssicheren Bauten. Die Besetzung der Strecke ist nur vorübergehend
bis zur Wirksamkeit der Ueberflutung gedacht.
III. Beschikbare verdedigingswerken.Er
is een aaneengesloten eerste linie aanwezig, bestaande uit een dubbele
tot driedubbele prikkeldraadversperring en bomvrije bunkers in gewapend
beton, die in het algemeen de helft van de bezetting kunnen opnemen. Van
de tweede linie bestaan afzonderlijke stukken van de loopgraafstelling,
evenals een doorlopende prikkeldraadversperring van 6 meter breed, die
zich uitstrekt van het Kanaal van Turnhout tot aan de linkerflank bij
Fort Stabroek. Tussen de eerste en tweede linie bestaan enkele
verbindingswegen.
In
de tweede linie bevinden zich bovendien, in de deels uitgebouwde
trajecten van de loopgraafstelling, bomvrije manschappenonderkomens en
bomvrije onderkomens voor een machinegeweerploeg; de eerste kunnen
gemiddeld één zesde van de bezetting opnemen.
Achter
de tweede linie is een systeem van machinegeweernesten aangelegd,
namelijk tussen de weg Brasschaat–Driehoek en het overstromingsgebied op
de linkerflank.
De
mogelijkheid tot inundatie op de linkerflank (Scheldevak) verklaart de
zwakkere uitbouw van de stelling tussen Fort Stabroek en de Schelde, het
bijna volledig ontbreken van een tweede linie en van schotvrije
bouwwerken. De bezetting van dit traject is slechts tijdelijk bedoeld,
namelijk tot het moment waarop de inundatie effectief werkzaam wordt.
° °
IV. Im Falle der Armierung zu schaffende Verteidigungsanlagen.
Die
Armierungszeit für die wichtigsten Massnahmen beträgt 12 Tage (ausser
den Vorbereitungen z. B. Zusammenstellung der Arbeiterbataillone,
Furhpark-Kolonnen, Requirieren und Verteilen von Werkzeug, wofür ca. 3–4
Tage vorzusehen sind). Innerhalb der Frist von 12 Tagen müssen
nachfolgende Arbeiten geschaffen werden:
Bau von Schützenstellungen: Verbindung
der bereits gebauten Strecken in der 2. Linie, die in den Lageplänen
ersichtlich sind. Es sind herzustellen 15170 lfdm. vollständige
Schützenstellungen, bei 2990 lfdm. ist nur noch die Rückenwehr
anzusetzen.
Bau von Verbindungswegen: Verbindungswege
sind ausser den vorhandenen oder Teilstücken zwischen der 1. und 2.
Linie im Ganzen 11 020 lfdm. auszuführen, im allgemeinen 2 auf jeden
Kompagnieabschnitt.
- Bau von Drahthindernissen: Das
Drahthindernis vor der 2. Linie erhält einen zweiten 6 m breiten
Streifen. Die Stützpunkte in der 2. Linie werden mit einem doppelten
Drahthindernis mit je 6 m Breite umgeben. Im Ganzen sind 180.400 qm
anzulegen. Ausführung wie die in der 2. Linie bestehenden.
- Einbauten: An Einbauten sind, soweit möglich schusssicher, in Holz und Eisen zu erstellen:
- Unterschlupfe in
der 2. Linie in solcher Zahl, dass sie mit den vorhandenen
schusssicheren Räumen die Hälfte der Besatzung der Stellung – 100 Mann
für 1 Kompagnie-Abschnitt – aufnehmen können. Im Ganzen sind 111
Unterschlupfe für je 12 Mann erforderlich. Holzbau mit
Rundholzverkleidung, Erdschicht, darüber Blechplatten und
Eisenbahnschienen, Eisenbahnschienen auch nach vorn, darüber Erde.
Sollten Blechplatten und Eisenbahnschienen nicht in hinreichender Menge
vorhanden sein, so wäre dafür Rundholz aufzulegen.
- Nahkampfmittelräume sollen in jedem Kompagnieabschnitt im allgemeinen je 2 hinter der 1. und hinter der 2. Linie erbaut werden.
- Verbandräume werden für jeden Kompagnieabschnitt je einer hinter der 2. Linie errichtet.
- Latrinen sollen
für jeden Kompagnieabschnitt zu den wenigen vorhandenen so viele
hinzugebaut werden, dass mindestens je eine hinter der 1. und eine
hinter der 2. Linie vorhanden ist. Danach sind 59 neue Latrinen zu
erstellen.
Nach
diesen Grundsätzen sind die Räume in die Pläne eingetragen. Die Zahl
der bei den einzelnen Bauanlagen zu beschäftigenden Arbeiter, die
Reihenfolge der Arbeiten und ihre Verteilung auf die verschiedenen
Armierungstage ist hieraus ebenfalls ersichtlich.
Weitere
Neubauten sind nicht erforderlich. In der vorhandenen Linie, in
Zwischenstellungen und in einzelnen Stücken der 2. Linie sind bereits
hinreichend viele splittersichere Räume für Unterbringung von Schanzzeug
und Baustoffen und zu den laufenden Arbeiten vorhanden.
Über
den Stand der Armierungsarbeiten und deren Verlauf ist dem
Stabsoffizier des Ing.- u. Pion.-Korps täglich Meldung zu erstatten.
IV. Verdedigingswerken die in geval van de onmiddelijke versterkingen moeten worden aangelegd.De
tijd voorzien voor de belangrijkste maatregelen bedraagt 12 dagen (met
uitzondering van de voorbereidingen, zoals het samenstellen van de
arbeidersbataljons, de transportcolonnes en het opeisen en verdelen van
gereedschap, waarvoor ongeveer 3–4 dagen moeten worden voorzien). Binnen
de termijn van 12 dagen moeten de volgende werken worden uitgevoerd:
Aanleg van loopgraafstellingen: Het
verbinden van de reeds aangelegde trajecten in de tweede linie, zoals
zichtbaar op de situeringsplannen. Er moeten 15170 strekkende meter
volledige loopgraafstellingen worden aangelegd; bij 2990 strekkende
meter hoeft enkel nog de rugdekking te worden aangebracht. Het
dwarsprofiel van de loopgraafstelling staat in bijlage 3.
Aanleg van verbindingswegen: Naast
de reeds bestaande trajecten of delen daarvan tussen de eerste en
tweede linie moet in totaal 11020 strekkende meter verbindingsweg worden
uitgevoerd, doorgaans twee per compagniesector.
- Aanleg van prikkeldraadversperringen: De
versperring vóór de tweede linie krijgt een tweede strook van 6 m
breed. De steunpunten in de tweede linie worden omgeven door een dubbele
prikkeldraadversperring, telkens 6 m breed. In totaal moet 180400 m²
worden aangelegd. Uitvoering zoals de reeds bestaande werken in de
tweede linie.
- Bouwwerken: De bouwwerken moeten, voor zover mogelijk, schotvrij worden uitgevoerd in hout en ijzer:
- Schuilplaatsen in
de tweede linie, in zodanige aantallen dat zij samen met de bestaande
bomvrije ruimten de helft van de bezetting van de stelling kunnen
opnemen – 100 man per compagniesector. In totaal moeten 111 houten
schuilplaatsen voor telkens 12 man worden gebouwd. houten bouw met
rondhoutbekleding, een laag aarde, daarboven plaatijzer en spoorrails;
spoorrails ook aan de voorzijde, met daarboven aarde. Indien plaatijzer
en spoorrails niet in voldoende hoeveelheid beschikbaar zijn, moet
rondhout worden gebruikt.
- Ruimten voor nabijheidsgevechtsmiddelen moeten in elke compagniesector in het algemeen telkens twee achter de eerste en achter de tweede linie worden gebouwd.
- Verbandruimten worden per compagniesector telkens één achter de tweede linie opgericht.
- Latrines moeten
per compagniesector worden aangevuld tot er minstens één achter de
eerste en één achter de tweede linie aanwezig is. In totaal moeten 59
nieuwe latrines worden gebouwd.
Volgens
deze uitgangspunten zijn de ruimten in de plannen ingetekend. Hieruit
blijken ook het aantal benodigde arbeiders per bouwlocatie, de volgorde
van uitvoering en de verdeling van de werkzaamheden over de
verschillende dagen voor het in werking stellen en uitvoeren van alle
voorbereide werken van het verdedigingsplan
Verdere
nieuwbouw is niet nodig. In de bestaande linie, in tussenstellingen en
in afzonderlijke delen van de tweede linie bevinden zich reeds voldoende
scherfvrije ruimten voor de opslag van gereedschap, bouwmaterialen en
voor de lopende werkzaamheden.
Over de stand van de werken en
hun verloop moet dagelijks verslag worden uitgebracht aan de
stafofficier van het ingenieurs- en pionierskorps.
° °
V. Armierungsmassnahmen im näheren Vorgelände.Das
Schussfeld der 1. Linie ist bereits freigemacht. Es bedarf im
allgemeinen höchstens der Beseitigung einzelner Gebüsche; nur im
Scheldeabschnitt sind die Bäume zwischen der Dammstellung und dem Ort
Beirendrecht zu fällen, sowie einzelne Häuser durch Sprengung
niederzulegen, desgl. 2 Häuser vor der 2. Linie zwischen Putterstrasse
und Redoute Smoutakker. Die Sprengung ist von dem unter VII.
bezeichneten Sprengkommando vorzunehmen.
Im
Drahthindernis vor der 1. Linie sind noch einige Patrouillendurchgänge
herzustellen, und der Hochspannungszaun zwischen Stabroeck und der
Putterstrasse spannungslos zu machen und an den Postendurchgängen zu
durchschneiden. (Zu dieser Arbeit ist das Betriebsamt des Grenzzaunes in
Maeseyck aufzufordern.)
Da
die Bauten gut verwachsen sind, bedarf es keiner Maskierung mehr; falls
Zeit vorhanden, kann Abdeckung der Drahthindernisse und Ueberdeckung
der Gräben mit Zweigen vorgenommen werden.
V. Armeringsmaatregelen in het nabije voorterrein.
Het
schootsveld van de eerste linie is reeds vrijgemaakt. In het algemeen
is hoogstens het verwijderen van enkele struiken nodig; enkel in het
Scheldeabschnitt moeten de bomen tussen de dijkstelling en het dorp
Berendrecht worden geveld, evenals enkele huizen door middel van
springladingen worden neergehaald. Eveneens twee huizen vóór de tweede
linie tussen de Putterstraat en de schans van Smoutakker. Het opblazen
moet worden uitgevoerd door het onder punt VII genoemde springcommando.
In
de prikkeldraadversperring vóór de eerste linie moeten nog enkele
patrouille-doorgangen worden aangebracht, en de hoogspanningsafsluiting
tussen Stabroek en de Putterstraat moet spanningsloos worden gemaakt en
bij de postdoorgangen worden doorgeknipt. (Voor deze taak moet het
beheerskantoor van de grensafsluiting in Maaseik worden opgeroepen.)
Aangezien
de bouwwerken reeds goed met de omgeving zijn vergroeid, is verdere
camouflage niet nodig; indien er tijd beschikbaar is, kan een bedekking
van de prikkeldraadversperringen en een afdekking van de grachten met
takken worden uitgevoerd.
° °
VI. Überflutungen.Die
Betätigung der Überflutung im Scheldeabschnitt ist nur auf besonderen
Befehl des Stabsoffiziers des Jng.- u. Pion.-Korps beim Gouvernement zu
veranlassen. Die Gebiete, deren Ueberschwemmung möglich ist, zeigt die
Karte, Anlage 1
Dem
Schleusenkommando (Gefr. Leps als Führer und 6 Maschinisten) in
Beirendrecht sind die nötigen Anweisungen zu geben, insbesondere welche
Gebietsteile zu überschwemmen sind.
Die
zur dauernden Bedienung und Bewachung der Schleusen erforderlichen
Mannschaften sind beim Abschnittskommandeur aus der Sicherheitsbesatzung
zu beantragen. Zur Bewachung der Schleusen werden 3 Unteroffiziere, 18
Mann, zur Hilfeleistung 4 Mann benötigt.
VI. Overstromingen (inundaties).Het
in werking stellen van de inundatie in het Scheldeabschnitt mag slechts
op uitdrukkelijk bevel van de stafofficier van het ingenieurs- en
pionierskorps bij het gouvernement worden uitgevoerd. Op de kaart,
bijlage 1, zijn de gebieden aangegeven die kunnen worden overstroomd.
Aan
het sluizencommando (korporaal Leps als leider en 6 machinisten) te
Beirendrecht moeten de nodige aanwijzingen worden verstrekt, in het
bijzonder met betrekking tot welke gebiedsdelen moeten worden
geïnundeerd.
De
manschappen die vereist zijn voor de permanente bediening en bewaking
van de sluizen moeten door de Abschnittscommandant uit de
veiligheidsbezetting worden aangevraagd. Voor de bewaking van de sluizen
zijn 3 onderofficieren en 18 man nodig; voor hulpdiensten nog eens 4
man.
° °
VII. Armierungsmassnahmen im Vorgelände.
Die
Waldbedeckung des Vorgeländes macht in erster Linie weitgehendste
Beseitigung erforderlich, um der feindlichen Artillerie die Beobachtung
und gedeckte Aufstellung zu erschweren. Beseitigt ist der Baumbestand
schon jetzt bis etwa 1 km vor der 1. Linie. Weitere Abtragung des Waldes
ist zur Zeit im Gänge und bis auf einen Streifen von 3 km Breite
beabsichtigt. Vor der Dammstellung Beirendrecht (Scheldeabschnitt und 4.
Regimentsabschnitt / Bataillonsabschnitt I) ist die Geländebedeckung zu
erhalten, solange die Eisenbahnbatterien bei Santvliet in Tätigkeit
bleiben. Der grosse Umfang der Waldniederlegung gestattet im allgemeinen
kein Fällen, sondern nur das Abrennen, wobei einzelne Teile stehen
bleiben, welche nebst den Gebäuden, die vorläufig geschont werden,
vorgeschobenen Abteilungen als Stützpunkte und der eigenen Beobachtung
dienen sollen.
Der
Übersichtsplan enthält die Grenze, bis zu welcher die Niederlegung des
Waldbestandes mindestens reichen sollte, sowie die Waldstücke, welche
stehen bleiben sollen.
Von den Ortschaften wären Esschen und Calmpthout durch Abbrennen zu zerstören und die Brunnen zu verschütten.
Aufreissen von Strassen soll unterbleiben, um etwaige Vorstösse nicht zu erschweren.
Auf
Ersuchen des 1. Art. Offz. v. Platz soll im Armierungsfalle die
Sprengung der nachstehend genannten Kirchtürme vorgenommen werden:
- sofort auszuführen:
- Kirchturm Brecht
- Kirchturm St. Leonhard
- Kirchturm Wuestwezel
- erst nach Zurückziehen der eigenen Stellungen auszuführen:
- Kirchturm Calmpthout
- Kirchturm Holl. Putten
- Kirchturm Belg. Putten
- Belvédère Holl. Putten
- Kirchturm Ossendrecht
- Kirchturm Santvliet
Hierfür
sind in Anlage 9 die Sprengentwürfe ausgearbeitet. Die Sprengung wird
von 1 Kommando der 2. Ldst. Pionier-Kompagnie I. A. K. in Stärke von 1
Unteroffizier und 6 Mann bewerkstelligt.
Die Munition zum
Sprengen besteht aus 2 000 Sprengkörpern C/88, 200 Sprengkapseln und
1100 m Zündschnur und lagert in Fort Capellen in Verwahrung des
Artillerie-Depots.
VII. Armeringsmaatregelen in het voorterrein.
De
bosbedekking van het voorterrein moet in de eerste plaats zo volledig
mogelijk worden verwijderd, om de vijandelijke artillerie de waarneming
en de gedekte opstelling te bemoeilijken. De boomstand is reeds tot
ongeveer 1 km vóór de eerste linie geruimd. Verdere ontbossing is
momenteel aan de gang en is voorzien tot op een strook van 3 km breed.
Voor de dijkstelling bij Beirendrecht (Scheldeabschnitt en
4.Regimentsabschnitt / Bataillonsabschnitt I) moet de terreinbedekking
behouden blijven, zolang de spoorwegbatterijen bij Santvliet moeten
blijven functioneren. De omvang van de bosruiming laat in het algemeen
geen vellen toe, maar enkel het afbranden, waarbij afzonderlijke delen
blijven staan. Deze delen, samen met de gebouwen die voorlopig worden
ontzien, dienen als steunpunten voor vooruitgeschoven troepen en voor
eigen waarneming.
Het overzichtsplan bevat de grens tot waar de ontbossing minstens moet reiken, evenals de bospercelen die moeten blijven staan.
Van
de dorpen Essen en Kalmthout zouden door afbranding de bebouwing moeten
worden vernietigd en de waterputten onbruikbaar gemaakt.
Het openbreken van wegen moet achterwege blijven om mogelijke aanvallen niet te bemoeilijken.
Op
verzoek van de eerste artillerieofficier ter plaatse moeten in geval
van armering de hieronder genoemde kerktorens worden opgeblazen:
- onmiddellijk uit te voeren:
- Kerktoren Brecht
- Kerktoren St. Lenaarts
- Kerktoren Wuustwezel
- pas uit te voeren na terugtrekking uit de eigen stellingen:
- Kerktoren Kalmthout
- Kerktoren Hollands Putte
- Kerktoren Belgisch Putten
- Belvédère Hollands Putte (Hoogenberg)
- Kerktoren Ossendrecht
- Kerktoren Santvliet
Hiervoor
zijn in bijlage 9 de springontwerpen uitgewerkt. De vernietiging wordt
uitgevoerd door een commando van de 2e Landsturm-Pioniercompagnie van
het I. Armeekorps, bestaande uit één onderofficier en zes man.
De
springlading bestaat uit 2.000 springlichamen type C/88, 200 ontstekers
en 1.100 meter lont, opgeslagen in Fortje van Kapellen onder beheer van
het artilleriedepot.
° °
VIII. Armierungsmassnahmen im Hintergelände.
Diese
Massnahmen können mit den verfügbaren Arbeitskräften nicht mehr
innerhalb der Armierungszeit von 12 Tagen ausgeführt werden. Sie sind
daher in den Berechnungen und Plänen nicht berücksichtigt.
In erster Linie kommen in Frage:
- Verbindungswege aus
der 2. Linie nach rückwärtigem Gelände und Ortschaften. Solche sind nur
in dem nicht mit Wald bedeckten Gelände erforderlich und vorgesehen.
- Ausbau der Maschinengewehrnester durch Anbau von kleinen Stellungsanbauten und Umbauung mit Drahthindernis.
- Gedeckte Feldküchen brauchen nicht eingerichtet zu werden, da geeignete Gebäude im rückwärtigen Gelände vorhanden sind.
- Herstellung neuer Brücken und Wege entfällt.
- Von der Niederlegung hoher Geländeteile ist
abzusehen, da hierdurch die eigene Beobachtung erschwert wird und dem
Gegner doch kein entsprechender Nachteil bereitet wird.
- Die Kolonnenwege müssen im Gelände noch genau bezeichnet werden.
- An Befehlsständen sind
noch 2 Brigadekommandeurstände mit je einem
Art.-Regts.-Kommandeur-Stand an den mit Anlage … bezeichneten Stellen
mit Behelfsmaterial zu bauen.
VIII. Armeringsmaatregelen in het achterterrein.Deze
maatregelen kunnen met de beschikbare arbeidskrachten niet meer binnen
de armeringstijd van 12 dagen worden uitgevoerd. Zij zijn daarom niet
opgenomen in de berekeningen en plannen.
In de eerste plaats komen in aanmerking:- Verbindingswegen van
de tweede linie naar het achterliggende terrein en naar de dorpen.
Dergelijke wegen zijn enkel nodig en voorzien waar het terrein niet door
bos is bedekt.
- Uitbouw van de machinegeweernesten, door het aanbrengen van kleine stellingaanbouwen en door ombouw met prikkeldraadversperring.
- Overdekte veldkookplaatsen hoeven niet te worden ingericht, aangezien er geschikte gebouwen in het achtergebied aanwezig zijn.
- Het aanleggen van nieuwe bruggen en wegen vervalt.
- Van het afgraven van hoge terreindelen moet worden afgezien, omdat dit de eigen waarneming belemmert en de vijand er geen noemenswaardig nadeel van ondervindt.
- De kolonnenwegen moeten in het terrein nog nauwkeurig worden aangeduid.
- Wat de commandoposten betreft,
moeten nog twee brigadecommandoposten worden gebouwd, elk met een
artillerieregimentscommandopost, op de plaatsen die in de bijlage … zijn
aangeduid, en dit met gebruik van noodmateriaal.
° °
IX. Pionierparks.
Für
den laufenden Armierungsbetrieb und die Zeit nach demselben ist
unverzüglich mit der Anlage eines Abschnittspionierparkes in Merxem (im
Sägewerk beim Kleinbahnhof Eiskelder) und je eines
Regimentspionierparkes für jeden Regimentsabschnitt an der
Armierungsbahn an den im Plan Anlage 1 bezeichneten Stellen zu beginnen.
Das Personal ist aus den zu überweisenden Pioniertruppen zu entnehmen.
IX. Pionierparken.Voor
de lopende armeringswerken en de periode daarna moet onverwijld worden
begonnen met de aanleg van een Abschnittspionierpark in Merksem (in de
zagerij bij het buurtspoorstation Eiskelder) en met de aanleg van
één regimentspionierpark voor elk regimentsabschnitt, langs de
armeringsbaan op de in de bijlage 1 aangeduide plaatsen.
Het personeel moet worden geleverd door de over te dragen pioniertroepen.
N.B.: Het overslagstation De IJskelder lag
in Merksem, 200 meter ten noorden van de reeds verdwenen Bredapoort van
de grote omwalling (de contouren van deze verdwenen omwalling heb ik
mee ingetekend). Het was een belangrijk overstappunt: reizigers kwamen
vanuit Antwerpen per paardentram naar Merksem (IJskelder), waar zij
vervolgens konden overstappen op de stoomtrams richting Bergen op Zoom
of Breda. Over de Bredabaan liepen vroeger immers tramsporen naar — de
naam zegt het zelf — Breda. Bij het uitbreken van de oorlog bleven de
tramsporen tot aan de frontlinie behouden, maar alle rails tussen de
schans Drijhoek aan de Bredabaan en de Nederlandse grens werden
opgebroken. Deze spoorstaven werden vervolgens hergebruikt bij de bouw
van de bunkers van het Nordabschnitt; ze zitten dus vandaag nog steeds
verwerkt in de dakconstructies van die bunkers.
X. Arbeitskräfte.Zur
Ausführung der vorstehend aufgeführten Arbeiten sind 17.600 Arbeiter
benötigt, die der belgischen Bevölkerung entnommen werden.
Es haben für den Nordabschnitt zu stellen:
- Kommando des Nordabschnitts (N.II): 4 000 Mann
- Kommando des Ostabschnitts (N.I): 10.000 Mann
- Kommandantur Antwerpen: 3.000 Mann
Die
Arbeitskräfte werden zu Einwohnerbataillonen militärisch organisiert,
ihre Aufstellung erfolgt durch die Meldeämter. Die Übernahme erfolgt
durch den Abschnitt von der vorher zu bestimmenden Dienststelle. Die
Kopfstärke der Bataillone beträgt 2.000, in einigen Fällen 1.500 Mann.
Sie sind formiert zu 4 Kompagnien.
Für
die Führung eines Batl. wird ein Offizier (Leutnant oder Hauptmann)
bestimmt, dem 2 ältere Unteroffiziere und 1 Schreiber als Hilfsorgan
beigegeben sind. Dem ärztlichen Dienst pro Batl. versieht ein Arzt und 2
Sanitäts-Unteroffiziere.
Die
Einwohnerkompanie wird von 1 Off. Stellvertreter geführt, welcher noch 4
Hilfskräfte hat: 1 Feldwebeldiensttuer, 1 Fourier, 1 Schreiber, 1
Oberschachtmeister.
Die
Kompanie wird eingeteilt in 3 Züge, jeder Zug in 4 Arbeitsgruppen zu 30
bis 50 Mann. Die Züge werden von älteren Unteroffizieren geführt, die
Arbeitsgruppen von 1 Gefreiten, dem sogenannten Schachtmeister. Den
ärztlichen Dienst bei jeder Kompanie versieht ein Sanitäts-Unterorgan
mit einer Hilfskraft. Jeder Kompanie ist außerdem 1 Dolmetscher
beigegeben.
Außer
dem genannten Kompanie-Personal, welches den inneren und technischen
Dienst leitet, wird als besondere Militärpolizeiliche Aufsicht für die
Arbeit und Unterkunft jeder Einwohnerkompanie 1 verstärkte Gruppe (1
Unteroffizier, 1 Gefreiter, 10 Mann) beigegeben.
Zusammengefasst ergibt sich für 1 Einwohnerbatl. nachstehender Bedarf an Aufsichts- und Überwachungspersonal:
- 1x Batl.-Führer (Hauptmann oder Leutnant)
- 3x Batl.-Unteroffiziere und Schreiber
- 4x Kompanieführer (Off. Stellvertreter)
- 12x Ältere Komp. Unteroffiziere, Feldw. Diensttuer, Fourier, Oberschachtmeister
- 4x Kompanieschreiber
- 12x Zugführer (ältere Unteroffiziere)
- 40x Schachtmeister (Pionier-Gefr. oder Pionier)
- 1x Arzt
- 10x Sanitäts-Unteroffiziere oder Gefreiter
- ?? Dolmetscher
- Bewachungspersonal:
- 8x Unteroffiziere und Gefreiter
- 40x Mannschaften
Das Aufsichts- und Bewachungspersonal wird der Infanterie entnommen, die Schachtmeister den Pionieren.
Die Einwohnerbataillone unterstehen dem Pionier-Kommandeur des Abschnitts, von dem sie ihre Aufträge erhalten.
Die Stärke der im Nordabschnitt zur Verwendung kommenden 9 Einwohnerbataillonen beträgt:
- Bataillon I – 2 000 Mann
- Bataillon II – 2 000 Mann
- Bataillon III – 1 500 Mann
- Bataillon IV – 1 500 Mann
- Bataillon V – 2 000 Mann
- Bataillon VI – 2 000 Mann
- Bataillon VII – 2 000 Mann
- Bataillon VIII – 2 000 Mann
- Bataillon IX – 2 000 Mann
Außer den Einwohnerbatl. kommt noch eine Pionierparkkomanie für den Pionierpark des Abschnitts zur Verwendung.
Von den Dienststellen und Hilfsorganen abgesehen, sind im Nordabschnitt für technische und polizeiliche Zwecke erforderlich:
- rund 2 ⅓ Pionierkompanien
- und 2 Infanteriekompanien
Während der Nacht werden die Wachen in den Ortsunterkünften durch Bereitschaften verstärkt.
X. Arbeidskrachten.Voor
de uitvoering van de hierboven opgesomde werken zijn 17.600 arbeiders
nodig, die uit de Belgische bevolking zullen worden gehaald (zie lijst
in bijlage …).
Voor het Nordabschnitt moeten worden geleverd:
- Commando van het Nordabschnitt (N.II): 4.000 man
- Commando van het Ostabschnitt (N.I): 10.000 man
- Kommandantur Antwerpen: 3.000 man
De
arbeidskrachten worden militair georganiseerd in inwonerbataljons. Hun
opstelling gebeurt via de gemeentelijke meldkamers. De overname gebeurt
door het betreffende Abschnitt via de vooraf te bepalen dienst. De
sterkte van een bataljon bedraagt 2.000, in sommige gevallen 1.500 man,
en zij worden onderverdeeld in 4 compagnies.
Een
bataljon staat onder leiding van een officier (luitenant of kapitein),
bijgestaan door 2 oudere onderofficieren en 1 schrijver. De
geneeskundige dienst van het bataljon wordt verzorgd door 1 arts en 2
sanitair-onderofficieren.
Een
inwonercompagnie wordt geleid door een officier-adjunct, die vier
hulpkrachten heeft: 1 sergeant-majoor, 1 kwartiermeester (fourier), 1
schrijver en 1 bovenschachtmeester.
De
compagnie wordt ingedeeld in 3 pelotons, elk verdeeld in 4 werkploegen
van 30 tot 50 man. De pelotons worden geleid door oudere
onderofficieren; de werkploegen door één korporaal, de zogeheten
schachtmeester. De geneeskundige dienst per compagnie wordt verzorgd
door een sanitair onderorgaan met één hulpkracht. Elke compagnie krijgt
bovendien één tolk toegewezen.
Naast
het gewone compagniepersoneel, dat de interne en technische dienst
leidt, wordt aan elke inwonercompagnie één versterkte groep militaire
politie toegewezen (1 onderofficier, 1 korporaal, 10 manschappen).
Samengevat bedraagt voor één inwonerbataljon de behoefte aan toezichts- en bewakingspersoneel:
- 1x Bataljonscommandant (kapitein of luitenant)
- 3x Onderofficieren en schrijver van het bataljon
- 4x Compagniescommandanten (officier-adjunct)
- 12x Oudere compagnie-onderofficieren, sergeant-majoor, kwartiermeester, bovenschachtmeester
- 4x Compagnieschrijvers
- 12x Pelotonscommandanten (oudere onderofficieren)
- 40x Schachtmeesters (pionier-korporaal of pionier)
- 1x Arts
- 10x Sanitair onderofficieren of korporaals
- ?? Tolken (aantal niet vermeld)
- Bewakingspersoneel:
- 8x onderofficieren en korporaals
- 40 manschappen
Het toezicht- en bewakingspersoneel wordt uit de infanterie gehaald; de schachtmeesters uit de pioniers.
De inwonerbataljons staan onder bevel van de pioniercommandant van het Abschnitt, van wie zij hun opdrachten ontvangen.
De sterkte van de 9 inwonerbataljons die in het Nordabschnitt zullen worden ingezet bedraagt:
- Bataljon I – 2.000 man
- Bataljon II – 2.000 man
- Bataljon III – 1.500 man
- Bataljon IV – 1.500 man
- Bataljon V – 2.000 man
- Bataljon VI – 2.000 man
- Bataljon VII – 2.000 man
- Bataljon VIII – 2.000 man
- Bataljon IX – 2.000 man
Naast de inwonerbataljons wordt ook één pionierparkcompagnie ingezet voor het pionierpark van het Abschnitt.
Afgezien van de dienstinstellingen en hulpkorpsen zijn in het Nordabschnitt voor technische en politiediensten nodig:
- ongeveer 2 ⅓ pioniercompagnies
- en 2 infanteriecompagnies
’s Nachts worden de wachten in de lokale kwartieren versterkt door extra Bereitschaften.
XI. Verwendungsgebiete und Unterbringungsorte der Einwohnerbatl.
Arbeitszeit:
Die Verwendungsgebiete und Unterbringungsorte sind aus Anlage 11 (Karte
1 : 40 000) ersichtlich. Die Arbeitszeit beginnt an den Baustellen um 6
Uhr morgens und endet 6 Uhr abends. Die Mittagspause fällt zwischen 12
und 1 Uhr. Dieselbe wird jedoch durch den Pionierkommandeur des
Abschnitts je nach Bedürfnis geändert.
XI. Gebieden van inzet en verblijfplaatsen van het inwonersbataljon.Arbeidstijd:
De inzetgebieden en verblijfplaatsen blijken uit bijlage 11 (kaart 1 :
40 000). De werktijd begint op de bouwplaatsen om 6 uur ’s morgens en
eindigt om 6 uur ’s avonds. De middagpauze valt tussen 12 en 1 uur, maar
kan door de pioniercommandant van het betrokken onderdeel worden
aangepast naargelang de noodzaak.
XII. Verpflegung der Einwohnerbataillone.
Die
Verpflegung der Bataillone erfolgt aus den Beständen des Proviantamts
Antwerpen aus den im Nordabschnitt von diesem zu errichtenden
Proviantmagazinen. Seitens der Kommandeure ist bei der Gouv. Intendantur
zu erfragen, welchem Magazin ihr Einwohnerbataillon zugeteilt ist. Die
Verpflegung wird geregelt und überwacht durch einen vom Batslführer zu
bestimmenden Verpflegungsoffizier (Off. Stellvertreter, Vizefeldwebel).
Jede Einwohnerkompagnie bildet für sich eine Kochgemeinschaft unter
einem Verpflegungsunteroffizier, welcher aus der Bewachungsmannschaft zu
entnehmen ist.
Alles
übrige Personal (Köche und Hilfspersonal) wird aus den
Einwohnerbataillonen selbst gestellt. (Über die Anfuhr der Lebensmittel
siehe unter XII). Die erforderlichen Essgeräte muss jeder Einzelne
mitbringen. Die Kochstellen der einzelnen Bataillone sind aus
nachstehender Zusammenstellung ersichtlich.
XII. Voeding van de inwonersbataljons.De
bevoorrading van de bataljons gebeurt uit de voorraden van het
Proviandambt Antwerpen en uit de proviandmagazijnen die hiervoor in de
noordelijke sector worden opgericht. De commandanten moeten bij de
gouvernements-intendant informeren aan welk magazijn hun
inwonersbataljon is toegewezen. De voedselvoorziening wordt geregeld en
gecontroleerd door een bevoorradingsofficier die door de
bataljonscommandant wordt aangewezen (adjudant-officier of onderofficier
van rang vice-feldwebel).
Elke
inwonerscompagnie vormt een kookgemeenschap onder leiding van een
bevoorradings-onderofficier, die uit het bewakingsdetachement wordt
genomen.
Al
het overige personeel (koks en hulpers) wordt door de inwonersbataljons
zelf geleverd. (Over het aanvoeren van levensmiddelen, zie onder XII).
Het benodigde eetgerei moet iedere soldaat persoonlijk meebrengen. De
kookplaatsen van de afzonderlijke bataljons zijn vermeld in het volgende
overzicht.
XIII. Fuhrwerke für Baustoffbedarf.
Die
Beförderung der Baustoffe pp. von den Holzgewinnungsstellen, den
Baustofflagern und den Bahnhaltestellen zu den Baustellen erfolgt
mittels des landesüblichen zweirädrigen Einspänners. Es sind erforderlich:
XIII. Voertuigen voor de behoefte aan bouwmaterialen.Het
vervoer van de bouwstoffen enz. vanaf de houtwinningsplaatsen, de
bouwstofdepots en de spoorweghaltes naar de werkplaatsen gebeurt met het
gebruikelijke landelijke tweewielige enkelspanvoertuig. Er zijn nodig:
XIV. Baustoffbedarf.
Die
für die einzelnen Bataillonsabschnitte und für den ganzen Nordabschnitt
benötigten Baustoffe sind errechnet nach den in Anlage 8 aufgeführten
Armierungsarbeiten und sind aus Nachweisung Anlage 12 ersichtlich. Der
Berechnung sind die Einheitssätze Anlage 13 zu Grunde gelegt.
Rundholz und Flechtwerk: wird
am zweckmässigsten zwischen der 1. und 2. Linie gewonnen, sowie hinter
der 2. Linie, wo beinahe durchgehends Buschwerk und Waldungen sich
befinden. Mit Rücksicht auf genügende Fliegerdeckung kann es sich nur um
eine sehr vorsichtige Durchlichtung handeln.
Bretter und Bohlen: befinden
sich in den Baustofflagern der Fortifikation (bei Fort Schooten, bei
Fort Brasschaet, am Bahnhof Denneburg, bei Fort Stabroeck).
Blechplatten und Schienen: sind ebenfalls in den genannten Baustofflagern gelagert.
- Glatter Draht, Stacheldraht, Krammen und Nägel: Der
vorhandene glatte und Stacheldraht lagert in den Baustofflagern der
Fortifikation im Nordabschnitt. Der fehlende Bedarf sowie die Krammen
und Nägel werden im Bedarfsfalle zusammen mit dem Bedarf des 1.
Artillerie-Offiziers vom Platz beim General der Pioniere im Grossen
Hauptquartier angefordert, mit der Bitte, das nahe gelegene Drahtwerk
Hemixem mit der Lieferung zu beauftragen. In diesem Falle könnte mit
einer raschen Anlieferung gerechnet werden. Sollte der Draht nicht rasch
genug beschafft werden können, so empfiehlt sich der alsbaldige Abbau
des alten belgischen Drahthindernisses, soweit es sich in grösserem
Abstand vor der 1. Linie hinzieht und infolge dessen geringen Wert hat.
Die Verteilung der eintreffenden Materialien besorgt der Festungsoffizierhof.
Die jeweiligen Versandziele sind beim Ingenieuroffizier des Abschnitts und beim 1. Artillerie-Offizier vom Platz zu erfragen.
XIV. Behoefte aan bouwmaterialen.De
voor de afzonderlijke bataljonssectoren en voor de gehele noordelijke
sector benodigde bouwmaterialen zijn berekend op basis van de in bijlage
8 opgesomde versterkingswerken, en worden weergegeven in de overzichten
van bijlage 12. Voor de berekening zijn de eenheidsnormen uit bijlage
13 gebruikt.
Rondhout en vlechtwerk: Dit
kan het best worden gewonnen tussen de 1ste en 2de linie, evenals
achter de 2de linie waar vrijwel aaneengesloten struikgewas en
bospercelen aanwezig zijn. Omwille van voldoende luchtdekking mag het
slechts gaan om een zeer voorzichtige uitdunning.
Planken en balken: bevinden
zich in de bouwstofdepots van de fortificatie (bij Fort Schoten, Fort
Brasschaat, het station Denneburg en bij Fort Stabroek).
Plaatijzer en spoorrails: worden eveneens in deze depots opgeslagen.
- Gladde draad, prikkeldraad, krammen en nagels: De
aanwezige gladde draad en prikkeldraad waren opgeslagen in de
bouwstofdepots van de fortificatie in de noordelijke sector. De
ontbrekende hoeveelheden, evenals krammen en nagels, worden indien nodig
tegelijk met de aanvraag van de 1ste artillerieofficier ter plaatse,
bij de generaal der pioniers in het Groot Hoofdkwartier aangevraagd, met
het verzoek het nabijgelegen draad verwerkende bedrijf te Hemiksem te
belasten met de levering.
In
dat geval kan op een snelle aanvoer worden gerekend. Indien de draad
niet snel genoeg kan worden verkregen, wordt aanbevolen om het oude
Belgische prikkeldraadversperringswerk af te breken, voor zover het zich
op grotere afstand vóór de 1ste linie uitstrekt en daardoor weinig
waarde heeft.
De
verdeling van de binnenkomende materialen gebeurt door de
vestingofficier. De bestemmingsplaatsen moeten worden opgevraagd bij de
genieofficier van het betrokken onderdeel en bij de 1ste
artillerieofficier ter plaatse.
° °
XV. Werkzeugbedarf.
Die
für die einzelnen Batls.-Abschnitte und für den ganzen Nordabschnitt
benötigten Werkzeuge sind in Anlage 14 errechnet nach den in Anlage 10
für die einzelnen Arbeiten erforderlichen Arbeiterzahlen.
Der Berechnung sind die Einheitssätze, Anlage 15, zu Grunde gelegt.
Anlage
16 gibt die Nachweisung der Schanz- und Werkzeuge. Dieselben sind teils
in den Baustofflagern des Abschnitts, teils im Schirrhof vorhanden; der
fehlende Rest muss beigetrieben werden. Soweit dies nicht möglich, wird
er beim Stabsoffizier der Pioniere Nr. 164 in Brüssel durch die
Fortifikation angefordert werden.
Erkundungen
über das in den Gemeinden vorhandene Schanz- und Werkzeug haben
stattgefunden. Ihr Ergebnis ist in Anlage 17 niedergelegt.
Bei
Ausspruch der Armierung hat der Ingenieur-Offizier beim
Abschnittskommandeur einen Befehl an die Ortskommandanturen zu erwirken,
nach dem diese die Bürgermeister zur Ablieferung der in den Gemeinden
vorhandenen Geräte zu veranlassen haben. Die Ortskommandanten haben für
die Einlieferung der Geräte an die Baustofflager Sorge zu tragen.
Die Ausgabe der Geräte an die Einwohnerbataillone erfolgt in den Baustofflagern.
Die
Verteilung der anzufordernden Werkzeugmengen besorgt beim Eintreffen
der Schirrhof im Benehmen mit dem Ingenieur-Offizier des Abschnitts und
dem 1. Artillerie-Offizier vom Platz.
XV. Behoefte aan gereedschap.Het
voor de afzonderlijke bataljonssectoren en voor de gehele noordelijke
sector benodigde gereedschap is berekend in bijlage 14, op basis van het
aantal arbeiders nodig voor de werkzaamheden zoals vermeld in bijlage
10. Voor de berekening zijn de eenheidsnormen uit bijlage 15 gebruikt.
Bijlage
16 geeft een overzicht van de graaf- en werktuigen. Deze bevinden zich
deels in de bouwstofdepots van de sector, deels op de materieelhoeve;
wat ontbreekt moet worden aangevuld. Voor zover dit niet mogelijk is,
wordt het resterende materiaal door de fortificatie aangevraagd bij de
pionierstafofficier nr. 164 in Brussel.
Er
heeft een onderzoek plaatsgevonden naar het in de gemeenten aanwezige
gereedschap en graafmateriaal. De resultaten zijn vastgelegd in bijlage
17.
Wanneer
de armiering wordt afgekondigd, moet de genieofficier via de
sectorcommandant een bevel laten uitgaan naar de plaatselijke
commandanten, die op hun beurt de burgemeesters moeten verplichten het
in de gemeenten aanwezige gereedschap in te leveren. De plaatselijke
commandanten moeten erop toezien dat dit materiaal wordt afgeleverd aan
de bouwstofdepots.
De uitgifte van gereedschap aan de inwonersbataljons gebeurt in de bouwstofdepots.
De
verdeling van de aan te vragen gereedschaps hoeveelheden gebeurt bij
aankomst door het materieeldepot in overleg met de genieofficier van de
sector en de 1ste artillerieofficier ter plaatse.